Broeder Schellekens  (keesoom)

Broeder Schellekens werd geboren op 5 februari 1873 te Oisterwijk in Noord-Brabant. Hij stamde uit een oerdegelijk landbouwersgezin. Zij hadden het niet breed en de jongens moesten volgens zijn broer Janus die op dit ogenblik in R.K.gasthuis woonachtig is er vroeg op uit om de kost mee te verdienen zo ging jan naar Tilburg om als knecht in dienst te gaan bij boer Bierkens bij de hasseltse kapel ’t was eerste klas werker zei Janus van dat soort die ze het liefst hebben bij de paters. Zijn boer had veel met hem op en de omwonende boeren vochten er om  hem tot zijnen dienst over te halen. Zou dat hasselts kapelleke Jans roeping voor de kloosterlijke staat niet het eerst zien opkomen . Verder vinden wij niets opgetekend dan dat hij vanaf zijn professie in 1894 ten voorbeeld was van de kloosterlinge eenvoud. Dappere missionaris moed  en onvermoeide edelmoedige werkzaamheid. Alsof deze staat van dienst  alleen geen boekdelen vult. Hij stierf in zijn 31e  levensjaar

 Nieuwe Tilburgse Courant  13 augustus 1954Hij werd geboren op 6 februari 1873 in Oisterwijk op een boerderijtje aan de Kleine Heide.Zijn ouders waren Lambertus schellekens en Joanna Maria van Rooy. Hij kreeg de namen Johannes Cornelius, maar zijn tweede naam werd zijn roepnaam, zoals zo  vaak gebeurde in onze streken. Zelf ondertekend hij de brieven me Cornelius, ook zijn vrienden, zoals vrijwel zeker Knilles en niet Kees of iets anders. Zijn dooppeten waren zijjn ooom Martinus van Iersel en Johannus schellekens vermoedelijk zijn grootvader. Hij ging in Oisterwijk naar de school, toen de heer Croonen hoofdonderwijzer was. Aan meester Croonen had hij veel te danken en hij schreef hem later ook voortdurend. In het missiehuis van de missionarissen van het H. Hart (M.S.C) in Tilburg worden nog een hele serie oude prentbriefkaarten bewaard die Cornelius anuit de missie en en vanaf de boot schreef aan meester Croonen. In hetzelfde Tilburgse Missiehuis zijn nog alle documenten en paperassen aanwezig die betrekking hebben op de martelaren va Rabaul. Daar heb ik de de geschiedenis van Cornelius Schellekens uitvoerig kunnen nagaan aan de hand van eigenhandig geschreven en foto’s en kranten knipsels uit die\tijd en van personen die hem gekend hebben. Toen Knilles van de school van de meester af was werd hij landarbeider of zoals het toen heette boerenknecht. Het boerderijtje van zijn vader was waarschijnlijk te klein om er met meerdere te boeren. Hij had immers meer broers de oudste was Hendrikus geboren in 1868  Cornelius dan volgde zijn zus Johanna Woutera geboren in 1870   Cornelius was het derde kind en na hem kwamen er nog twee broers in 1875 en in 1876. ze heette beide Adrianus wat doet vermoeden dat de eerste als baby  gestorven is. Cornelius was 20 jaar oud toen toen hij als lekebroeder te worden bij de missionarissen van het H.Hart. op 1 maart 1893 trad hij in het postulaat  van de Congregatie in Borgerhout. Op 27 oktober van het hetzelfde jaar kwam hij naar het Missiehuis in Tilburg, waar hij op 1 december werd ingekleed. Hij deed daar zij eerste professie op 8 december 1894 en werd opgeleid voor de missie. Zijn eeuwige gelofte legde hij pas af  toen hij enkele jaren in de missie was op 26 februari 1903. de liefste wens van Cornelius schellekens was om uitgezonden naar een missiegebied. Er is nog een officiële verklaring van bewaard gebleven. Eigenhandig geschreven begint hij als volgt ik ondergetekende Cornelius Schellekens leekebroeder van de Congregatie der missionarissen van het H.Hart van Jezus verlang uit geheel mijn hart mi naar de Missie te begeven om aldaar te kunnen meewerken aan het heil der zielen ter eren Gods … Waarom de verklaring geschreven was blijkt uit het vervolg waarin hij zegt dat hij geen aanspraak dat hij gen aanspraak zal maken op  gelden van de Congregatie voor salaris of terugreis., mocht hij geen broeder blijven..Hij had immers nog niet de eeuwige geloften gedaan en was daarom nog lekebroeder  en was nergens aan verbonden. Op deze voorwaarde was de congregatie bereid hem naar de missie te laten gaan. Broeder Cornelius (hij heette eigelijk broeder Ansemus maar bij de M.S.C was het niet gebruikelijk iemand bij zijn kloosternaam te noemen. Later werden de kloosternamen helemaal afgeschaft) enfin broeder Cornelius wilde het liefst naar een Nederlands missiegebied. om  dat hij Maar de provinciale besliste anders Cornelius werd bestemt voor een Duits gebied waar hoofdzakelijk Duitse missionarissen van de congregatie werkte. Hij werd uitgezonden naar een eiland in de stille Zuidzee ten oosten van nieuw Guinea  in de Melanesische Bismark de naam van het eiland was Nieuw Pommeren een Duitse kolonie, die later Brits zou worden en toen omgedoopt werd tot Nieuw Brirtai. De meeste bewoners van het grote eiland wisten overigens echt niet, dat ze in een Duitse kolonie woonden. Want ze hadden nooit van Europa gehoord noch een blanke gezien. Op 21 september 1891 zo staat er op het bidprentje van Cornelius Schellekens werd zijn vurigste wens verhoord en hij mocht vertrekken naar de missie van Nieuw Pommeren. Hij nam afscheid van zijn familie en vrienden. Hij wist prachtigs zeker dat hij Oisterwijk nooit meer met zijn toen nieuwe kerk terug zou zien. Missionarissen kwamen in die tijd zelden terug. De reis was te ver,en te kostbaar. Voorde hij vertrok 26 jaar oud maakte toen zijn testament.
Het luidt als volgt ik ondergetekende , verlang dat mijne goederen en geld na mijne dood. Dat er het klooster 200 frank en het andere verdeeld onder mijn broers en zuster. En als ik het later wil veranderen zal ik dat later wel doen. De boottocht ging via het Sueskanaal (Port Said) en Singapore.na vele maanden bereikte hij Rabaul de hoofdplaats van Nieuw Pommeren waar ook de Vicaris van dat gebied woonde Later werden ze de martelaren van Rabaud genoemd. Niet omdat ze in Rabaul maar om dat de plaats waar ze vermoord werden lagen in het Apostolaat  van het gebied. In een beginnend gebied spreekt men noch niet van bisdommen. In Rabaul zag Cornelius voor het eerst het primitieve Papoea volk van de Kanakkers waar hij zijn leven lang voor zou werken..Op het grote eiland met zijn vele bergen met tropische plantengroei en oerwouden waren er in 1972 nog kleine stammen die nog nooit een blanke had gezien. In 1899 was op enkele kustplaatsen na het hele gebied nog onbekend terrein. De Duitse Vicaris van Rabaul zond Cornelius naar het gazelle schiereiland ten noordoosten van Rabaul een missiepost gesticht door pater Rascher daar was ook de Tilburger pater Rutten wiens compagnon Cornelius  zou worden. De inboorlingen op het schiereiland vormde een onderstam van de Kanakken en noemde zich Bainingers. De Bainingers was een een primatief volk dat gedeeltelijk leefde als rondtrekkende nomaden. Ze vereerde voorouders en mythialogische figuren. Ze kende nog echte slavernij en vlak bij Vuna Marita lag een slavendorp. De Baininger mannen hadden zich georganiseerd in geheime bonden die een soort politie functie en vaak uitgroeiden tot echte terreur organisaties. vooral de Dukduk geheime bond had grote macht. De grote prachtig schilden van de krijgers en de maskers van de Bainingers uit die tijd zijn tegenwoordig  als primitieve kunst hooggewaardeerd en enorm kostbaar.de bainingers waren de mensen waar Cornelius zijn hele persoon zou inzetten.na een tijdje in vuna Marita gewerkt te hebben en wat geleerd van de ongeschreven bainingtaal trok cornelius met pater Rutten de rimboe in naar de Bainingsbergen. Daar was nooit een blanke geweest en het hele gebied was volslagen onbekend..Ze vond daar een inlands dorpje waarbij hun komst geen kip was te bekennen om dat iedereen was gevlucht. Voor de missionarissen was dat geen probleem. Ze wachten eenvoudig net zo lang tot de bewoners wel terug moesten komen. Het  dorpje bleek Nacharunep te heten en ze stichten er een missiestatie .ze moesten alles van de grond af opbouwen met de meest primitieven middelen. Ze waren tegelijk ontdekkingsreizigers bouwvakkers en handelaren geneesheren en predikanten. Het geloof dat ze preekte kreeg geleidelijk een goed gehoor. Ofschoon pas na de dood van de missionarissen de streek bijna geheel het Christendom aannam ook hier was het bloed van de martelaren het zaad van de Christenen Cornelius zelf verlangde nog altijd nog om ooit in Holland te komen waar hij vaker zijn eigen taal kan spreken. Daarom schreef hij vanuit Vuna Marita op 27 juli (hij was toen al vier jaar in Nieuw Pommeren) naar de Provinciaal van De Congregatie in Nederland. Hij vraagt om overgeplaatst te worden naar een Hollandse Misssie in Nieuw Guinea. Om vooral niet verkeerd begrepen te worden schrijft hij erbij dat hij echt niet terug niet naar Europa teruggeroepen wil worden.de provinciaal  moest eens denken dat hij het in de missie niet kon uithouden.een paar citaten ui deze brief. Ik wil niet uit Duitse missie weg om dat hier niet  graag ben o neen Hoogeerwaarde Heer Provinciaal ik voel mij overgelukkig en ik heb veel troost gevonden bij de Duitse priesters in moeilijkheden.met Duitse broeders heb ik nog nooit woordenwisseling gehad. Maar ik wil naar een Hollandse missie omdat ik  a

 

Tekstvak:  

Broeder Schellekens  (keesoom)
Broeder Schellekens werd geboren op 5 februari 1873 te Oisterwijk in Noord-Brabant. Hij stamde uit een oerdegelijk landbouwersgezin. Zij hadden het niet breed en de jongens moesten volgens zijn broer Janus die op dit ogenblik in R.K.gasthuis woonachtig is er vroeg op uit om de kost mee te verdienen zo ging jan naar Tilburg om als knecht in dienst te gaan bij boer Bierkens bij de hasseltse kapel ’t was eerste klas werker zei Janus van dat soort die ze het liefst hebben bij de paters. Zijn boer had veel met hem op en de omwonende boeren vochten er om  hem tot zijnen dienst over te halen. Zou dat hasselts kapelleke Jans roeping voor de kloosterlijke staat niet het eerst zien opkomen . Verder vinden wij niets opgetekend dan dat hij vanaf zijn professie in 1894 ten voorbeeld was van de kloosterlinge eenvoud. Dappere missionaris moed  en onvermoeide edelmoedige werkzaamheid. Alsof deze staat van dienst  alleen geen boekdelen vult. Hij stierf in zijn 31e  levensjaar
 Nieuwe Tilburgse Courant  13 augustus 1954Hij werd geboren op 6 februari 1873 in Oisterwijk op een boerderijtje aan de Kleine Heide.Zijn ouders waren Lambertus schellekens en Joanna Maria van Rooy. Hij kreeg de namen Johannes Cornelius, maar zijn tweede naam werd zijn roepnaam, zoals zo  vaak gebeurde in onze streken. Zelf ondertekend hij de brieven me Cornelius, ook zijn vrienden, zoals vrijwel zeker Knilles en niet Kees of iets anders. Zijn dooppeten waren zijjn ooom Martinus van Iersel en Johannus schellekens vermoedelijk zijn grootvader. Hij ging in Oisterwijk naar de school, toen de heer Croonen hoofdonderwijzer was. Aan meester Croonen had hij veel te danken en hij schreef hem later ook voortdurend. In het missiehuis van de missionarissen van het H. Hart (M.S.C) in Tilburg worden nog een hele serie oude prentbriefkaarten bewaard die Cornelius anuit de missie en en vanaf de boot schreef aan meester Croonen. In hetzelfde Tilburgse Missiehuis zijn nog alle documenten en paperassen aanwezig die betrekking hebben op de martelaren va Rabaul. Daar heb ik de de geschiedenis van Cornelius Schellekens uitvoerig kunnen nagaan aan de hand van eigenhandig geschreven en foto’s en kranten knipsels uit die\tijd en van personen die hem gekend hebben. Toen Knilles van de school van de meester af was werd hij landarbeider of zoals het toen heette boerenknecht. Het boerderijtje van zijn vader was waarschijnlijk te klein om er met meerdere te boeren. Hij had immers meer broers de oudste was Hendrikus geboren in 1868  Cornelius dan volgde zijn zus Johanna Woutera geboren in 1870   Cornelius was het derde kind en na hem kwamen er nog twee broers in 1875 en in 1876. ze heette beide Adrianus wat doet vermoeden dat de eerste als baby  gestorven is. Cornelius was 20 jaar oud toen toen hij als lekebroeder te worden bij de missionarissen van het H.Hart. op 1 maart 1893 trad hij in het postulaat  van de Congregatie in Borgerhout. Op 27 oktober van het hetzelfde jaar kwam hij naar het Missiehuis in Tilburg, waar hij op 1 december werd ingekleed. Hij deed daar zij eerste professie op 8 december 1894 en werd opgeleid voor de missie. Zijn eeuwige gelofte legde hij pas af  toen hij enkele jaren in de missie was op 26 februari 1903. de liefste wens van Cornelius schellekens was om uitgezonden naar een missiegebied. Er is nog een officiële verklaring van bewaard gebleven. Eigenhandig geschreven begint hij als volgt ik ondergetekende Cornelius Schellekens leekebroeder van de Congregatie der missionarissen van het H.Hart van Jezus verlang uit geheel mijn hart mi naar de Missie te begeven om aldaar te kunnen meewerken aan het heil der zielen ter eren Gods … Waarom de verklaring geschreven was blijkt uit het vervolg waarin hij zegt dat hij geen aanspraak dat hij gen aanspraak zal maken op  gelden van de Congregatie voor salaris of terugreis., mocht hij geen broeder blijven..Hij had immers nog niet de eeuwige geloften gedaan en was daarom nog lekebroeder  en was nergens aan verbonden. Op deze voorwaarde was de congregatie bereid hem naar de missie te laten gaan. Broeder Cornelius (hij heette eigelijk broeder Ansemus maar bij de M.S.C was het niet gebruikelijk iemand bij zijn kloosternaam te noemen. Later werden de kloosternamen helemaal afgeschaft) enfin broeder Cornelius wilde het liefst naar een Nederlands missiegebied. om  dat hij Maar de provinciale besliste anders Cornelius werd bestemt voor een Duits gebied waar hoofdzakelijk Duitse missionarissen van de congregatie werkte. Hij werd uitgezonden naar een eiland in de stille Zuidzee ten oosten van nieuw Guinea  in de Melanesische Bismark de naam van het eiland was Nieuw Pommeren een Duitse kolonie, die later Brits zou worden en toen omgedoopt werd tot Nieuw Brirtai. De meeste bewoners van het grote eiland wisten overigens echt niet, dat ze in een Duitse kolonie woonden. Want ze hadden nooit van Europa gehoord noch een blanke gezien. Op 21 september 1891 zo staat er op het bidprentje van Cornelius Schellekens werd zijn vurigste wens verhoord en hij mocht vertrekken naar de missie van Nieuw Pommeren. Hij nam afscheid van zijn familie en vrienden. Hij wist prachtigs zeker dat hij Oisterwijk nooit meer met zijn toen nieuwe kerk terug zou zien. Missionarissen kwamen in die tijd zelden terug. De reis was te ver,en te kostbaar. Voorde hij vertrok 26 jaar oud maakte toen zijn testament.
Het luidt als volgt ik ondergetekende , verlang dat mijne goederen en geld na mijne dood. Dat er het klooster 200 frank en het andere verdeeld onder mijn broers en zuster. En als ik het later wil veranderen zal ik dat later wel doen. De boottocht ging via het Sueskanaal (Port Said) en Singapore.na vele maanden bereikte hij Rabaul de hoofdplaats van Nieuw Pommeren waar ook de Vicaris van dat gebied woonde Later werden ze de martelaren van Rabaud genoemd. Niet omdat ze in Rabaul maar om dat de plaats waar ze vermoord werden lagen in het Apostolaat  van het gebied. In een beginnend gebied spreekt men noch niet van bisdommen. In Rabaul zag Cornelius voor het eerst het primitieve Papoea volk van de Kanakkers waar hij zijn leven lang voor zou werken..Op het grote eiland met zijn vele bergen met tropische plantengroei en oerwouden waren er in 1972 nog kleine stammen die nog nooit een blanke had gezien. In 1899 was op enkele kustplaatsen na het hele gebied nog onbekend terrein. De Duitse Vicaris van Rabaul zond Cornelius naar het gazelle schiereiland ten noordoosten van Rabaul een missiepost gesticht door pater Rascher daar was ook de Tilburger pater Rutten wiens compagnon Cornelius  zou worden. De inboorlingen op het schiereiland vormde een onderstam van de Kanakken en noemde zich Bainingers. De Bainingers was een een primatief volk dat gedeeltelijk leefde als rondtrekkende nomaden. Ze vereerde voorouders en mythialogische figuren. Ze kende nog echte slavernij en vlak bij Vuna Marita lag een slavendorp. De Baininger mannen hadden zich georganiseerd in geheime bonden die een soort politie functie en vaak uitgroeiden tot echte terreur organisaties. vooral de Dukduk geheime bond had grote macht. De grote prachtig schilden van de krijgers en de maskers van de Bainingers uit die tijd zijn tegenwoordig  als primitieve kunst hooggewaardeerd en enorm kostbaar.de bainingers waren de mensen waar Cornelius zijn hele persoon zou inzetten.na een tijdje in vuna Marita gewerkt te hebben en wat geleerd van de ongeschreven bainingtaal trok cornelius met pater Rutten de rimboe in naar de Bainingsbergen. Daar was nooit een blanke geweest en het hele gebied was volslagen onbekend..Ze vond daar een inlands dorpje waarbij hun komst geen kip was te bekennen om dat iedereen was gevlucht. Voor de missionarissen was dat geen probleem. Ze wachten eenvoudig net zo lang tot de bewoners wel terug moesten komen. Het  dorpje bleek Nacharunep te heten en ze stichten er een missiestatie .ze moesten alles van de grond af opbouwen met de meest primitieven middelen. Ze waren tegelijk ontdekkingsreizigers bouwvakkers en handelaren geneesheren en predikanten. Het geloof dat ze preekte kreeg geleidelijk een goed gehoor. Ofschoon pas na de dood van de missionarissen de streek bijna geheel het Christendom aannam ook hier was het bloed van de martelaren het zaad van de Christenen Cornelius zelf verlangde nog altijd nog om ooit in Holland te komen waar hij vaker zijn eigen taal kan spreken. Daarom schreef hij vanuit Vuna Marita op 27 juli (hij was toen al vier jaar in Nieuw Pommeren) naar de Provinciaal van De Congregatie in Nederland. Hij vraagt om overgeplaatst te worden naar een Hollandse Misssie in Nieuw Guinea. Om vooral niet verkeerd begrepen te worden schrijft hij erbij dat hij echt niet terug niet naar Europa teruggeroepen wil worden.de provinciaal  moest eens denken dat hij het in de missie niet kon uithouden.een paar citaten ui deze brief. Ik wil niet uit Duitse missie weg om dat hier niet  graag ben o neen Hoogeerwaarde Heer Provinciaal ik voel mij overgelukkig en ik heb veel troost gevonden bij de Duitse priesters in moeilijkheden.met Duitse broeders heb ik nog nooit woordenwisseling gehad. Maar ik wil naar een Hollandse missie omdat ik  a
True True (``````````` (``````````` 0 4267200 2819400